Amboseli Nationaal Park
40 kilometer ten noorden van de hoogste berg Kilimanjaro
(bijna 6.000 meter), ligt het Amboseli Nationaal Park. De
zonsopgang in het Amboseli Park willen we zeker meemaken,
de Kilimanjaro is dan zo mooi met zijn altijd besneeuwde
top. Het is een magnetisch veld dat je aantrekt deze berg
te beklimmen, wat ontzettend veel gedaan wordt, ooit heeft
een meisje van 8 jaar deze berg beklommen.
 Het
landschap met op de voorgrond een kudde olifanten en als
decor de besneeuwde top van de Kilimanjaro. Het park is
genoemd naar het uitgedroogde meer Amboseli. Het is het
woongebied van de Masai. De Masai in Kenia behoren tot de
bekendste onder de paar duizend inheemse volken in de wereld.
Eeuwenlang trokken ze met hun vee over de savannes van Kenia
en Tanzania zonder dat iemand ze ook maar een strobreed
in de weg legde. Maar zoals zoveel inheemse volken wordt
ook de trotse Masai en hun cultuur bedreigd. Lang en slank,
met de arrogante gratie van zijn Nilotische voorouders:
een Masai (letterlijk krijger). Over de Masai is al zoveel
geschreven, dus dat laat ik aan anderen over. Via het plaatsje
Namanga rijdt je naar het Amboseli Nationaal Park. Namanga
is ook de grensovergang naar Tanzania. In Namanga zijn allemaal
kraampjes met souvenirs, die de Masai graag willen verkopen.
Ze zijn erg opdringerig, je komt bijna niet van ze af. Maar
wat wil je, ze moeten ook eten. Over de steppe kan een scherpe
wind waaien en het kan stoffig en zanderig zijn. We zouden
eerst een Lodge nemen om vervolgens de tent weer op te zetten.
Er zijn meerdere kampeerplaatsen in het Amboseli Park en
we zochten de beste uit. Tijd heb je in overvloed als je
de safari’s op jezelf doet. En zo besloten we eerst
te gaan kijken naar de kampeerplaatsen.
We hadden een prachtig plaats met het uitzicht op de berg
“de Kilimanjaro”. We gingen houtsprokkelen voor
het kampvuur die avond. We namen twee panga’s (hakmes)
mee om het hout te hakken en gingen op weg. In de buurt
waar we onze tent hadden opgezet was niet veel afvalhout.
Dus we liepen verder met drie man en zagen een halve (behoorlijke
tak) van een boom liggen. De doorsnee van de tak was toch
wel 25 centimeter en twee en een halve meter lang. We namen
de tak mee met veel tussenpozen om even te rusten, (want
de tak was wel erg zwaar), kwamen we weer in het kamp aan.
De drie achtergebleven personen moesten vreselijk lachen
om het feit dat we geen takjes bij ons hadden, maar één
behoorlijke grote tak. Nog even kleine takjes sprokkelen
voor het aanmaken van het kampvuur. Er was een heel klein
winkeltje waar je limonade en bier kon kopen. Achter de
winkel hadden ze een gat gegraven om het afval erin te gooien.
Het gat was met gaas dichtgemaakt zodat de bavianen of andere
dieren geen blikjes of ander afval konden pakken. Daarom
heen was het afgezet met acaciastruiken. Dit vonden we wel
slim want in een van de Lodges waar we overnacht hadden
was ook zo’n gat (niet dichtgemaakt) maar open, zodat
de bavianen, maraboes of andere dieren het er zo uit konden
halen. Levensgevaarlijk voor de dieren. We zagen toen bavianen
met kapotte flessen lopen. Hier verwonder ik me nog over,
ooit is dit een keer op TV geweest. Toch moet het management
die bij een Lodge werken een betere oplossing zoeken, voor
het afval. Want anders gebeuren er zeker ongelukken.
 Tijdens
een geweldige gamedrive hebben we ontzettend veel olifanten
gezien, we reden naar een berg, die we gingen beklimmen,
want als je bovenop de berg stond kon je de olifanten zien,
die de rivier overstaken een fantastisch uitzicht. Eerst
zagen we dat ze richting de berg liepen en Simon zei: ze
steken straks de rivier over en gaan eerst baden. Die route
doen ze bijna elke dag. Er waren veel kleintjes bij, die
met hun moeders de rivier overstaken. De klim was de moeite
waard we hebben de hele tijd de olifanten gevolgd en zaten
heerlijk op de berg en genoten van het landschap met de
olifanten in het water totdat we ze niet meer zagen door
het dichte struikgewas. Op onze terugweg naar het kamp zagen
we in de verte moeder cheetah met een kleine bij een gazelle
die ze oppeuzelde, we wilden ze niet storen en reden weg.
Cheetah’s hebben het al zo moeilijk. In het kamp maakte
we eerst een heerlijk kopje soep en maakte een praatje met
de toeristen. De aardappelen werden geschild, groenten schoongemaakt,
zodat alles klaar stond voor de avond. We vertelde uiteraard
van de olifanten die de rivier overstaken en dat we twee
uur op de berg hadden gezeten. De toeristen waren zeer verwonderd,
waarom ze dat niet hadden gezien. Dus we hadden meer geluk
als de andere toeristen, die hadden alleen maar impala’s
gezien. Na het avondeten staken we het kampvuur aan en genoten
van de vlammen en uiteraard van de geluiden die avond met
een prachtige sterrenhemel. Om 12.00 uur ’s nachts
zeiden we tegen elkaar morgen staan we vroeg op dan kunnen
we de Kilimanjaro goed zien. Om 2 uur ’s nachts werden
de meeste toeristen wakker van een getrompetter. Trouwens
alle kerosine lampen bij de tenten werden hoog aangezet
om vooral meer licht te krijgen en ja hoor achter onze tenten
kwamen drie olifanten aangerend en het getrompetter ging
maar door, waarschijnlijk waren ze de andere kudden kwijtgeraakt.
Ze liepen op een holletje met hun slurf omhoog en hun oren
wapperden. Zaklantaarns van de toeristen werden aangedaan
om het tafereel goed gade te slaan. Na een kwartier was
de rust weer teruggekeerd in het kamp en alle lichten werden
uitgedaan of op een laag pitje gezet. Iedereen ging naar
bed. We hadden op dat moment geen slaap meer en gingen bij
het kampvuur zitten wat nog steeds brandt. Om 4 uur gingen
we weer naar bed. 6 uur stonden we weer op. Een nieuwe dag
van wild zien. Na een heerlijk ontbijt reden we weg voor
een gamedrive we hadden een kleine lunch meegenomen, omdat
we de hele dag het wild wilde opzoeken. We namen de andere
kant van het park in de hoop de neushoorns te zien. Ons
geluk kon niet op, deze dagen in Amboseli Park we zagen
twee neushoorns in de verte lopen en reden erna toe. Wat
zijn deze oerdieren groot met hun kleine ogen. Ik vroeg
Simon of we weer naar de rivier toegingen en hij zei, dat
doen we op de terugweg. We kwamen kudden impala’s
tegen en op een rotsblok heerlijk in de zon de agame deze
zijn grijs of blauw met een schitterende rode of gele kop
en een roze staart. De elandantilope die schuw is zagen
we in de verte en een wrattenzwijn met kleintjes. We reden
door een erg dicht struikgewas en zagen in een flits een
luipaard het pad oversteken. Natuurlijk gingen we zoeken,
misschien zouden we hem nog tegenkomen, maar het was hier
zo dichtgegroeid. Jammer, pech gehad.
 Kuddes
gnoes kwamen we tegen, Grant- en Thomson gazellen. We reden
terug naar de rivier, we zagen geen olifanten dus, of ze
hadden de rivier al overgestoken of ze moesten dit nog doen.
We reden op ons gemak weer naar onze tenten. En daar zagen
we ontzettend veel olifanten komen aanlopen. Magnifiek,
we zetten de motor van de auto af en wachten totdat de kudde
dichterbij kwam. Ze liepen op een 10 meter afstand van de
auto en we konden ze goed gadeslaan. Het is altijd leuk
als de olifanten kleintjes bij hun hebben. We reden terug
naar ons kamp en zagen twee toeristen onze tak van het kampvuur
probeerde mee te slepen. We waren net optijd. Wat een brutaliteit
was dat. Toen we er wat van zeiden werden ze nog kwaad ook.
Maar de tak hadden we toch weer terug. We genoten van het
kampvuur en de verhalen kwamen vanzelf.
vorige
reisverslag | volgende
reisverslag
|