Punakaiki & het Tasman Park
 Na
deze onverwachte stop rijden we snel door naar Punakaiki,
een minuscuul maar lief stipje op de Nieuw-Zeelandse landkaart,
alleen noemenswaardig vanwege de Pancake Rocks (nog het
best te omschrijven als stapels lijmstenen pannenkoeken)
en het comfortabele hostel aan het strand. Tegen de avond
zoeken Petra en ik de lokale bar op, maar deze sluit al
om tien uur. Teleurstellend.
De volgende dag, als we in het plaatsje Motueka in het
Abel Tasman National Park zijn gearriveerd, blijven we dan
ook in ons hostel. Het is winter in Nieuw-Zeeland en dat
is duidelijk te merken. De wegen zijn rustig, de hostels
vaak verlaten, de cafés en restaurants vrijwel leeg.
Backpackers komen toch vooral ‘s zomers naar Nieuw-Zeeland.
 Als
ik door de relaxte gebroeders Kyle en Triv van Tasman Tandems
wordt opgehaald om te paragliden, ben ik dan ook de enige.
In een oude maar taaie jeep rijden we naar de plek waar
Kyle en ik aan elkaar vastgeketend in de richting van de
afgrond zullen rennen, met de hoop dat de parachute vol
lucht komt en ons meeneemt met de wind. De hondstrouwe Triv
komt ons dan beneden weer ophalen met de jeep. Ruim vijftien
minuten hangen we ontspannen in de lucht, terwijl Kyle met
de wind speelt en ik hier en daar wat foto’s neem.
Het Tasman Park is werkelijk een prachtig gebied, met golvende
heuvels, dichte bossen en uitgestrekte stranden. De stralende
zon maakt het plaatje compleet.
 ’s
Middags pik ik Petra op en samen rijden we naar Nelson.
Petra heeft in deze stad afgesproken met wat vrienden en
ze is van plan hier enkele dagen blijven. Ik wil echter
zo snel mogelijk door naar Picton, waar de volgende morgen
in alle vroegte de boot naar het Noorder Eiland vertrekt.
Hier scheiden onze wegen.
Als ik weer op de snelweg ben, schemert het reeds en al
snel is het donker. Balen. Ik vind het niet prettig om in
het donker te rijden. Vooral niet in Nieuw-Zeeland. Vooral
niet met Willy Wanker. Verlichting ontbreekt op de meest
Nieuw-Zeelandse slingersnelwegen en mijn dubieuze voorruit
zorgt voor een wat wazig zicht. Het lijkt me daarom het
veiligst om achter een andere auto aan te rijden, zodat
ik slechts twee achterlichten hoef te volgen. Het werkt,
maar het is aanpoten. Met moeite kan ik de modernere versies
van Willy bijhouden. De weg wordt een parcours, de achtervolging
een race, de realiteit een computerspel. Binnen twee uur
ben ik in Picton.
vorige reisverslag
| volgende
reisverslag |