Shark Cage Diving in Gansbaai (30 augustus 2003)
 De
dag begon vroeg toen we werden gewekt door de wake-up call
van de telefoon op onze hotelkamer in Kaapstad. Het was
vijf uur in de morgen. Buiten was het nog donker en heerste
een diepe rust. Ons gevoel was tweeslachtig toen de telefoon
ging. Enerzijds wilden we op deze vakantiedag lekker uitslapen
maar anderzijds was er meteen die rush: vandaag gaan we
haaien kijken, en wel naar de Great White oftewel de Carcharodon
carcharias.
De bus die ons naar Gansbaai zou brengen, een rit van dik
twee uur, was er om zes uur. Keurig op tijd. De chauffeur
reed als een gek. Het oog in oog staan met een Great White
kon niet huiveringwekkender zijn dan deze dollemansrit.
Bijna hadden we al onze adrenaline al verspeeld. Uiteindelijk
haalden we toch heelhuids Gansbaai, waar de opkomende zon
een mooie zonnige lentedag beloofde. Heel wat minder aantrekkelijk
was de Indische Oceaan. Golven van bijna twee meter hoog
deden ons niet meteen naar de boot rennen. Ook onze medereizigers,
we waren met een internationaal gezelschap van in totaal
negen personen, werden stiller en stiller bij de aanblik
van de ruwe oceaan. De verplichting om voor vertrek een
papier te ondertekenen waarin de organisator van de sharktrip
gevrijwaard werd van alle verantwoordelijkheid bij ongelukken
maakte het er niet echt aantrekkelijker op.
Gansbaai zelf had weinig om het lijf. Wanneer de wateren
voor de kust niet zouden wemelen van haaien zou het plaatsje
volgens mij niet eens hebben bestaan. Nu was het een typisch
vissersplaatsje zonder enige franje of uitstraling. De gedachte
aan de haaien maakte de omgeving echter meteen een stuk
aantrekkelijker.
Na een eenvoudig maar overvloedig ontbijt, de maag moest
stampvol zijn, en twee tabletten tegen zeeziekte gingen
we op weg naar de boot. Onderweg deed ik mijn polsbandjes
om die ik in een drogisterij in Kaapstad had gescoord. De
kraal aan de binnenzijde van de bandjes moest op de binnenkant
van mijn polsen drukken. Door de druk van de kraal tegen
de binnenzijde van de pols bleven de hersenen een constant
signaal ontvangen; volgens de verkoper van de drogisterij
een gegarandeerde remedie tegen zeeziekte.
Tot de tanden gewapend tegen zeeziekte ging ik dan ook
aan boord van de boot, niet meer dan een uit de kluiten
gewassen roeiboot met een zeildoek overkapping ter plaatse
van de cockpit en twee buitenboordmotoren. Ik twijfelde
meteen aan de zeevaardigheid van dit vaartuig, dat de toepasselijke
naam droeg van “Sharkhunter”. In het midden
van de boot stond een soort zitbank met groene kussentjes
en de kooi voor de waaghalzen hing aan de achterzijde van
de boot.
Een chemisch toilet achter een triplex plaat diende als
eerste hulp bij hoge nood. De schipper zei dat we moesten
gaan zitten voor vertrek. Naast mij naam een jongen uit
Maleisië plaats die naar de naam Chong luisterde. Chong
lachte me vrolijk toe; hij had er zin in.
De boottocht naar Geyser Rock en Dyer Island zou ongeveer
vijfentwintig minuten duren. In de buurt van deze twee kleine
eilandjes voor de kust van Gansbaai wemelt het van de haaien
omdat deze twee eilandjes woonruimte biedt aan ontelbare
zeehonden, de Cape Fur Seals. De Great White is hier dol
op.
De twee buitenboordmotoren van de boot begonnen te ronken
en de boot kwam in beweging op weg naar het ruime sop. Door
de hoge golven vertelde de schipper ons dat het uit de haven
komen een little bit bumpy zou zijn. Wat hij vergat te vertellen
was dat, als we de haven eenmaal uit waren, het very much
bumpy zou worden. De golven joegen over de reling en zorgden
voor natte kleren bij alle passagiers. De golven met enorme
witte koppen, die de boot als pingpongbal leken te gebruiken,
leken alsmaar hoger te worden. Onze magen begonnen al danig
te protesteren en onze gezichten verraadde spijt dat we
hier ooit aan begonnen waren; voor € 140,- per persoon
konden we veel aangenamere dingen doen tijdens onze vakantie.
Chong keek inmiddels al een stuk minder vrolijk en lachen
deed hij al helemaal niet meer. Op kameleonachtige wijze
nam hij de gedaante van de golven buiten de boot aan: nat
met een witte kop die alleen maar witter werd. Een paar
minuten later begon diezelfde kop meer en meer de kleur
van de groene kussentjes op de bank aan te nemen. Voor de
veiligheid ging ik wat verder van Chong vandaan zitten.
 Onderweg
hadden we volgens de schipper erg veel geluk. Dit gold niet
voor de arme zeehond die een paar meter van onze boot werd
gegrepen door twee enorme kaken gevuld met vlijmscherpe
tanden. Later heb ik nog vaak aan die arme zeehond teruggedacht,
maar op dat moment overheerste het wauwgevoel, veroorzaakt
door dit spektakel dat werd opgevoerd door een Great White
en een voor zijn leven vechtende zeehond. De zeehond kwam
in een hoog tempo met een boog uit het water, telkens springend
in de richting van de staart van de haai, die op deze manier
zijn prooi niet te pakken kreeg. Onder ons brak een luid
gejuich uit toen duidelijk werd dat de zeehond deze keer
het gevecht had gewonnen. Snel zwom hij terug naar één
van de eilandjes waarbij de haai in geen velden of wegen
meer te bekennen was.
Tot ieders opluchting was onze bestemming eindelijk bereikt.
Niet dat de boot nu plots niet meer bewoog. Van heel erg
op en neer gingen we nu nog maar erg op en neer. Met gevaar
voor eigen leven gingen we allemaal staan waarbij we ons
aan alles van de boot moesten vasthouden om niet overboord
te vallen. Chong hing inmiddels al een minuut over de reling
waarbij de pechvogel voor de tweede keer plezier had van
zijn ontbijt.
De schipper en zijn matrozen gooiden twee ankers uit, een
must bij deze golven, en begonnen met de voorbereidingen.
De voorbereidingen bestonden uit het overboord gooien van
de chum; een mengsel van fijngestampte viskoppen, ingewanden
en ander onwelriekend afval. Het aanzicht was onbeschrijflijk
smerig en de stank zo mogelijk nog erger. Als je al niet
misselijk werd van de golven, dan bij het aanschouwen en
ruiken van de chum toch zeker. Eén van de matrozen
gooide de chum overboord. Door de harde wind vlogen de spetters
tegen onze kleren en in ons gezicht. Dank je wel.
De chum kleurde het water rondom de boot rood. Langzaam
verdween het in de golven op weg naar vele haaienneuzen,
hoopte iedereen. De chum werd gevolgd door een grote kop
van een tonijn waarvan de ogen plaats hadden gemaakt voor
een één centimeter dik touw. De kop werd aan
dit touw drie tot vier meter in het water gegooid en alweer
vlogen de spetters ons om de oren. Dank je wel.
De schipper hield het touw vast en het aftellen was begonnen…
De spanning op de boot was te snijden. Ook nu hadden we
weer geluk. Binnen tien minuten meldde de eerste haai zich
bij de tonijnkop aan het touw; volgens de schipper een vrouwtje
van 3,5 meter. Ik noem haar nummer 1. Rustig en behoedzaam
ging ze op het lokaas af maar hapte niet toe. Bij een tweede
poging ging haar bek wel open, maar op dat moment trok de
schipper aan het touw zodat de viskop in onze richting gleed
en nummer 1 snel achter het aas aan moest. De bedoeling
van het trekken aan het touw werd meteen duidelijk. Om het
aas toch te kunnen pakken gaf nummer 1 een klap met haar
staart waardoor haar voluptueuze bovenlijf boven het wateroppervlak
uitkwam, haar grote witte tanden trots ontblotend.
 De
afstand tussen de haai en ons was op dat moment minder dan
twee meter. Wat er dan door je heen gaat is met geen pen
te beschrijven. Op minder dan twee meter afstand getuige
zijn van een aanval van zo’n schitterend en machtig
roofdier doet je beseffen hoe prachtig de natuur is en dat
wij mensen binnen het geheel maar een kleine plaats innemen.
Mijn hart bonkte in mijn keel van opwinding. Om me heen
was de lucht gevuld met goedkeurende kreten, zoemende telelenzen
en klikkende camera’s.
Chong kon dit schouwspel gestolen worden. Hij had op de
boot een plaatsje gevonden waar hij plat op zijn rug kon
liggen in een positie die zijn maag het meest tot tevredenheid
stemde. Hij kwam alleen overeind om zijn maaginhoud, of
wat er nog van over was, in zee te deponeren om daarna weer
snel zijn horizontale positie in te nemen. Inmiddels had
hij daarbij gezelschap gekregen van een volgende slachtoffer
van de golven, een jongen uit Engeland. Ik dacht nog wel
dat die Engelsen zo’n sterke maag hadden.
Toen het aas enkele malen letterlijk en figuurlijk aan
de neus van nummer 1 voorbij was gegaan verloor ze haar
interesse en was het wachten op volgende bezoekers. En alweer
hadden we geluk. Op een gegeven moment zwommen er drie haaien
tegelijk rond onze boot, nummer 2,3 en 4. De grootste, een
mannetje van 4,5 meter, was het agressiefst. Mooi om te
zien was dat de rangorde bij de haaien bepaald wordt door
de afmeting; de grootste haai krijgt alle ruimte voor de
eerste hap.
 Nu
was het tijd om de kooi te water te laten. De kooi was er
een van het type waarvan de bovenzijde door middel van drijvers
op de golven bleef dobberen. Meteen meldden zich twee vrijwilligers:
een jongen uit Schotland en een meisje uit België.
Snel deden ze hun wetsuit aan en sprongen, na instructies
van de schipper te hebben gekregen, in de kooi. Zuurstof
kwam uit flessen die op het dek bleven staan en via slangen
de duikers in de kooi van de allereerste levensbehoefte
voorzagen. Nummer 2,3 en 4 waren inmiddels weer verdwenen
maar nr. 5 en 6 maakten hun opwachting. De twee duikers
in de kooi kregen gedurende de vijftien minuten dat ze in
de kooi zaten een bijzonder schouwspel te zien, maar ze
betaalden er ook hun tol voor. Proestend, rochelend, spugend
en overgevend kwamen ze uit de kooi op de boot. Door de
enorme deining van het water leek het in de kooi wel een
wasmachine, met als gevolg dat ook deze twee personen hun
maaginhoud voor de tweede keer terug zagen. Zelf wilde ik
ook in de kooi, maar de aanblik van dit alles deed mij anders
besluiten; ik bleef de haaien wel vanaf de boot bewonderen.
Nummer 5 en 6 werden nog gevolgd door nr. 7 en 8, volgens
de schipper binnen een tijdsbestek van drie uur een geweldige
score. Daarom stelde hij voor om, mede met het oog op het
inmiddels redelijk aantal zieke mensen aan boord, terug
te keren naar het vasteland van Gansbaai. Hier kon iedereen
gezien de score mee leven. Bovendien wilde iedereen Chong
en zijn maat uit hun lijden verlossen.
Eenmaal op de kade kregen Chong en zijn Engelse deelgenoot
weer langzaam het leven terug in hun lichaam. Chong had
het liefst de grond gekust maar hield zich toch in. Zowaar
kon er zelfs alweer een flauw lachje af. Zelf ben ik alles
en iedereen dankbaar dat ik niet ziek ben geworden. Misschien
dan toch die polsbandjes?
De moraal van dit verhaal is dat om de Great White in zijn
of haar natuurlijke habitat te aanschouwen er nogal wat
hindernissen genomen moeten worden. Niettemin vonden mijn
vrouw en ik het, ondanks de ontberingen, zéér
de moeite waard om deze geweldige dieren van dichtbij te
gaan bekijken; we hadden het voor geen goud willen missen.
We kunnen het iedereen dan ook van harte aanraden. Een leuke
bijkomstigheid is het feit dat iedereen bij een behouden
terugkomst een sharkdiploma kreeg, als bewijs dat je de
trip meegemaakt hebt. Gezien de prijs mag dit ook wel maar
toch…een leuk souvenir om aan het thuisfront te tonen.
|